Als je partner niks voelt, dan kan die dat ook niet communiceren.
Logisch, maar wel frustrerend. Zeker als je zelf graag gevoelens deelt om verbondenheid te creëren. Of gevoelens wilt weten om iets te checken, zodat je ernaar kunt handelen.
Groot afbreukrisico voor jullie band als er negatieve communicatiecirkels door ontstaan.
De partner die over gevoelens wil praten, gaat trekken aan de niet-voelende partner. Wat steeds dwingender en wanhopiger wordt.
En de ander trekt zich steeds meer terug met zwijgen, niet-weten of zelfs slim verzonnen gevoelens om de trekkende partner maar tegemoet te komen.
De trekkende partner voelt waarschijnlijk haarscherp aan dat er iets niet klopt, en gaat nog harder trekken om de echte gevoelens boven tafel te krijgen.
Niet echt helpend allemaal natuurlijk, zeker niet op de langere termijn.
En wat dan? Hoe los je dat op?
Eerst moet je even onderscheid maken tussen:
1. De psychologische ingang
2. De psychiatrische ingang
3. De neurodiversiteitsingang
Het onderscheid tussen psychologisch en psychiatrisch is weliswaar te zwart-wit, maar wel handig om duidelijk te maken hoe het kan werken.
Psychologisch
Met psychologisch bedoel ik dan vooral dat wel of niet kunnen voelen vanuit je hechtingsstijl aangeleerd ofwel geconditioneerd is.
Hoe meer je een vermijdende hechtingsstijl hebt, hoe moeilijker het doorgaans is om je emoties te voelen. Laat staan dat je er woorden aan kunt geven om ze te communiceren.
Psychiatrisch
Psychiatrisch (ofwel neurologisch) is het wanneer je onvermogen om bewust te voelen aangeboren is. Dat zomaar uit jezelf leren is dan moeilijker of zelfs (bijna) onmogelijk.
Bij een moeilijk-voelende-partner zou je kunnen denken dat die een beetje autistisch is. Het niet-voelen en niet-erover-praten is dan een kwestie van psychiatrisch onvermogen. En dus aangeboren en niet te genezen.
Misschien best fijn en zelfbeschermend om dat te denken, want dan ligt het tenminste niet aan de relatie… of aan jou.
Is je partner gewoon een beetje veel autistisch (of jijzelf). Punt.
Mispoes?
Alleen zegt de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA) op de pagina Feiten en fabels over autisme, dat een beetje autistisch niet bestaat. Je hebt het of je hebt het niet. En maar 1% tot 2% van de Nederlanders heeft het: meer dan 200.000 mensen, aldus de NVA.
Hoe groot is dan de kans dat je autisme hebt?
Autisme
Maar als de diagnose er na zorgvuldig onderzoek is, dan is er wel een spectrum op deze drie gedragscriteria:
• Beperkte sociaal-emotionele wederkerigheid
• Beperkingen in de non-verbale communicatie
• Beperking in ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties
Nog even los van autisme en de vraag of je dit beperkingen noemt, of gewoon-menselijk-anders-zijn in het kader van neurodiversiteit, kan er op zichzelf sprake zijn van:
- Een verlaagde interoceptie. Dat is het vermogen om lichamelijke prikkels als hartslag, honger, dorst in jezelf waar te nemen. Soms weet je wel dat je iets voelt, maar niet wat je voelt of wat het betekent.
- Alexithymie. Hiermee heb je moeite met het identificeren, ervaren of omschrijven van je emoties.
Is dat nou allemaal neurologisch aangeboren?
En kun je dan stellen dat je er niks aan kunt doen als je niks voelt?
Het blijft een lastig te beantwoorden vraag. Een vraag die misschien minder belangrijk is dan je denkt voor het oplossen van relatieproblemen rondom het wel of niet kunnen voelen. Maar ik neem je er even in mee.
Autisme wordt beschouwd als aangeboren en heb je van jongs af aan. Hoe het zich verder ontwikkelt in uitingsvormen, is ook afhankelijk van omgevingsfactoren.
Datzelfde geldt voor ons interoceptiesysteem. Net als bij ons hechtingssysteem. We worden ermee geboren. Maar hoe het zich ontwikkelt en tot uitdrukking komt, is mede afhankelijk van onze omgeving.
Bij alexithymie is de vraag kennelijk moeilijker te beantwoorden. Hier staat te lezen dat er enig bewijs is dat het erfelijk en dus aangeboren kan zijn.
De oplossing
Eén ding is voor mij wel zo klaar als een klontje: we hebben allemaal gevoelens.
Oké, da’s fijn.
Kunnen we dan ook nog leren om ze bewust te voelen en erover te praten?
Ja, dat denk ik zeker wel.
En is de aanvliegroute met een keuze tussen psychologisch-psychiatrisch dan van belang?
Nee, naar mijn mening om diverse redenen niet. Met de kanttekening dat er geen sprake is van disfunctioneel leven of een zware lijdensdruk. Het onderscheid kan hooguit van belang zijn om je ontwikkelingsaccenten in je relatie te bepalen.
Is er psychologisch meer sprake van een hechtingsprobleem? Dan gaat het om een ontwikkelingsproces naar veilige gehechtheid met elkaar als twee volwassen partners.
Is er psychiatrisch meer sprake van een stukje onvermogen? Dan komt het accent meer te liggen op het leren van vaardigheden en wederzijdse frustratietolerantie.
Neurodiversiteit
En daarmee komen we uit bij de derde ingang: die van de neurodiversiteit. Een term van socioloog Judy Singer in de jaren negentig. Het betekent dat alle vormen en combinaties van neurologisch (i.c. psychiatrisch) en psychologisch functioneren natuurlijk zijn. Er is niet één normale manier om de wereld, en dus je relatie, te ervaren.
Hier op LinkedIn legt psychiater Jim van Os het mooi uit: minder denken in labels en stoornissen, meer kijken naar profielen van gevoeligheden en talenten.
Kan psychiatrisch en psychologisch dan samengaan in neurodivergentie?
Ja, naar mijn ervaring wel. Dat komt omdat ik de verschillen en unieke behoeften van partners als natuurlijk & volwaardig beschouw, zonder deze als een stoornis (i.c. afwijking van het ‘normale’) te bestempelen.
Vastgelopen koppels met negatieve communicatiecirkels zijn namelijk hoe dan ook in een onveilige fase beland. Ook al speelt er iets neurologisch of psychiatrisch.
Dan nog moet je wel eerst uit die onveilige fase zien te komen met elkaar. Anders kun je jezelf en elkaar niet frank en vrij dieper leren kennen, begrijpen en in liefde aanvaarden. Ook al heb je soms last van bepaald gedrag of bepaalde verschillen.
Gechargeerd gaat de volgorde in een problematische relatiesituatie waarin een partner (mogelijk) met iets psychiatrisch kampt dan een beetje zo:
Fase 1: beide partners zijn hoofdzakelijk oké met elkaar ongeacht psychologische of psychiatrische eigenschappen. Ze kiezen in elk geval voor elkaar. Neurodiversiteit is oké en geen issue.
Fase 2: er ontstaat onvrede, omdat de ene partner over gevoelens wil praten (emotionele verbinding zoekt) en de ander niet (en niet begrijpt wat er misgaat vanwege een psychiatrische eigenschap).
Fase 3: beide partners kunnen elkaar communicatief niet (meer) vinden en ontwikkelen negatieve communicatiepatronen. Ze voelen zich allebei emotioneel onveilig en niet meer oké voor elkaar.
Fase 4: beide partners kiezen nog steeds voor elkaar en gaan zichzelf én elkaar dieper leren begrijpen. Zij vinden gelijkvormige woorden en taal om elkaar te bereiken. Om zich zo weer oké en veilig bij elkaar te voelen ondanks eventuele frustraties over psychiatrische eigenschappen.
Fase 5: in de gevonden emotionele veiligheid kunnen beide partners verder leren, communicatieve vaardigheden doorontwikkelen, fouten en missers maken zonder afwijzingsangst en frustratietolerantie hand in hand laten gaan met liefdevolle verbondenheid. Neurodiversiteit is weer oké en geen issue meer.
En weet je wat voor dat hele proces meestal een doorslaande succesfactor voor je relatie is?
Eigenlijk heel simpel. Namelijk dat je bereid bent er samen in te investeren. Heel eenvoudig zelf thuis door je open te blijven stellen en in gesprek te blijven. Of door daar eventueel hulp bij in te schakelen.
Dat zijn twee verschillende dingen in de oplossingssfeer:
Ten eerste de bereidheid om het te gaan doen. Daarmee zeg je namelijk indirect: jij bent de moeite waard en met jou heb ik het ervoor over.
Ten tweede het doen zelf. Ook al is de uitkomst onzeker en misschien zelfs wel twijfelachtig als het onvermogen te groot is. Alleen al het consequent doen geeft vrede en voldoening, vooral voor de partner die graag meer over gevoelens praat.